
Het model tegen het veld: 3,53 tegen 3,52
Mijn warmtepompmodel voorspelt een seizoensrendement van 3,53; de Nederlandse veldmonitoring over zesduizend woningen meet 3,52. Maar de validatie leverde ook een ongemakkelijke ontdekking op: geen enkel Nederlands voorbeeldproject publiceert een gemeten zelfvoorzienendheidscijfer.
De toets die ik had uitgesteld
Beeld boven: AI-impressie, geen bouwtekening.
Een model kan maandenlang mooie getallen produceren zonder dat iemand ze naast de werkelijkheid legt. Dat gold ook voor het mijne. Dus heb ik de canonieke uitkomsten van het lab tegen de best beschikbare veldmetingen gezet, met de afspraak dat een afwijking meer waard is dan een geruststelling.
Het spannendste getal eerst. Mijn warmtepompmodel komt uit op een seizoensrendement van 3,53. De meest recente Nederlandse veldmonitoring, ruim zesduizend woningen met slimme-meterdata, meet voor all-electric ruimteverwarming een gemiddelde van 3,52. Dat is vrijwel exact raak, en het eerlijke verhaal erachter maakt het beter: mijn model zat eerst op 3,78, tot een adversariële review (door een concurrerend AI-model, dat wel) een ontbrekende ontdooicorrectie aanwees. Zonder die correctie had het model op het subgroepje met alleen vloerverwarming gepast en niet op het populatiegemiddelde.
Waar het model te mooi is
Dezelfde veldmonitoring meet warm tapwater apart, en daar komt 2,3 uit. Mijn model rekent tapwater via de warmtepompcurve op 55 graden en kent geen boiler- en stilstandsverliezen. Daar ben ik dus vermoedelijk te optimistisch, naar schatting één tot twee procentpunt zelfvoorzienendheid. Dat is herzieningskandidaat nummer één, en hij staat inmiddels als zodanig in het aannamenregister.
Niemand meet wat iedereen claimt
Het merkwaardigste resultaat van de validatie is negatief: er bestaat geen enkel Nederlands voorbeeldproject dat een gemeten zelfvoorzienendheidscijfer publiceert. De Aardehuizen in Olst wekken 130% van hun verbruik op. Ecodorpen noemen zich energieleverend. Duitse dorpen halen 500% opwek. Allemaal jaarbalansen: opgeteld over het jaar wekken ze meer op dan ze verbruiken.
Zelfvoorzienend is iets anders. Het enige project waar autarkie echt gemeten is, een wijk van 39 all-electric huurwoningen in Uden zonder batterij, komt uit op 30%. Mijn modelwijk zonder seizoensopslag zit tussen de 45 en 58%, met batterij. Die getallen verdragen elkaar prima. Maar "140% opwek" en "45% zelfvoorzienend" beschrijven hetzelfde soort dorp, en vrijwel niemand legt dat verschil uit. De zomer produceert het overschot; de winterimport blijft.
Voor de waterlaag kwam de schoonste toets uit Vlaanderen, waar regenwaterputten verplicht zijn en er dus massadata bestaat: huishoudens met een put dekken 25 tot 30% van hun verbruik. Mijn model zegt 24 tot 26%. Binnen de band, zonder tuning.
Waar dit op leunt
- Dit is validatie op banden en gemiddelden, niet op tijdreeksen. De echte toets, uurdata van een echt project naast een voorspelling van dit model, is nog niet gedaan.
- Schoonschip in Amsterdam heeft die data wel, op kwartierresolutie, maar publiceert ze niet; ze liggen bij de meetpartijen en de coöperatie.
- Bij de Aardehuizen loopt het eerste volledige meetjaar van hun nieuwe buurtbatterij op dit moment. Dat is de test die dit model kan verliezen, en die ik daarom wil doen: voorspelling vooraf deponeren, meetdata achteraf ernaast. Als iemand van dat project dit leest: het aanbod staat.
- De veldmonitoring zelf heeft kleine subgroepen voor strikte nieuwbouw; het populatiegemiddelde is de best beschikbare, niet de perfecte referentie.