
Het getal dat nergens bestaat
Mijn kruisingsmodel leunt op een parameter die nergens in de literatuur bestaat: de leercurve van bouwautomatisering. De gereconstrueerde band is 8 tot 15% per verdubbeling van het geautomatiseerde volume, centraal 10%, en hij is expliciet gebouwd om weerlegd te kunnen worden.
Twee sprints, nul leercurves
Beeld boven: AI-impressie, geen bouwtekening.
Mijn kruisingsmodel, de vraag wanneer geautomatiseerde nieuwbouw goedkoper wordt dan renoveren, leunt op één parameter die ik nergens kon vinden: de leercurve van bouwautomatisering. Hoeveel procent goedkoper wordt fabrieksmatig bouwen bij elke verdubbeling van het cumulatieve volume? Twee deep-research-sprints leverden niets op. Geen studie, geen dataset, geen consultantcijfer dat de naam verdient.
Dan rest er één route: het getal zelf construeren, met alle bronnen open op tafel, zodat iedereen kan zien waar het breekt.
Waarom je hem niet kunt vinden
Eerst het raadsel: waarom bestaat die curve niet, terwijl zonnepanelen (ongeveer 20% per verdubbeling) en batterijen (18%) schoolvoorbeelden zijn?
Het antwoord zit in verdunning. Van de totale kosten van een woning leren grond en leges helemaal niets, en materiaal nauwelijks. Het deel waar automatisering op aangrijpt, het automatiseerbare arbeidsdeel plus het robotsysteem, is misschien 20 tot 25% van de directe bouwkosten. Zelfs een gezonde leercurve van 15% op dat deel is op de totaalprijs maar 3 tot 4% per verdubbeling. Dat verdwijnt onder de meetruis van conjunctuur, grondprijzen en cao-rondes. De curves bestaan wel. Verdund.
De band en zijn tegenstanders
Mijn reconstructie komt uit op 8 tot 15% kostendaling per verdubbeling van het cumulatieve geautomatiseerde bouwvolume, met 10% als centrale schatting, en die geldt alleen voor het automatiseerbare deel. Het beste anker is windenergie op land, ongeveer 12%: een groot object met een fabriekscomponent en plaatsgebonden montage, structureel het meest bouwachtige succesgeval.
De tegenstanders van de band zijn minstens zo belangrijk. Kernenergie heeft een negatieve leercurve: reactoren werden duurder met elk gebouwd exemplaar. Katerra verbrandde twee miljard dollar aan de belofte van fabrieksbouw en ging failliet aan het gebrek aan herhaling. En Japan bouwt al zeventig jaar woningen in fabrieken zonder dat de prijzen ooit daalden; de efficiëntie werd marge en kwaliteit, geen goedkopere huizen.
Voor renovatie kon ik wel iets reconstrueren, dankzij het Energiesprong-programma: van 130.000 naar 80.000 euro per woning over ruwweg negeneneenhalve verdubbeling is 4 tot 7% per verdubbeling. Mijn aanname dat renovatie maar 30% van het automatiseringspotentieel plukt, blijkt daarmee eerder conservatief dan optimistisch.
Wat dit met het kruisjaar doet
De consequentie voor de kernvraag is nu scherp te formuleren. Een kruising vóór 2045 vereist een leercurve van minstens 8% én een volumegroei van minstens 15% per jaar, volgehouden, zonder dat de sector in de bekende pilot-kloof blijft steken. Beide liggen binnen de band. Geen van beide is gegarandeerd.
De kruisjaren op de verkenner, 2039 tot voorbij 2055 afhankelijk van ambitie en scenario, waren altijd al een band en geen voorspelling. Nieuw is dat die band nu op een gedocumenteerde parameterband staat in plaats van op een gevoel.
Waar dit op leunt
- Geen enkele component van deze band is een gemeten leercurve van bouwrobotica. Het is een reconstructie uit analogieën en fragmenten, en zo hoort hij ook gelezen te worden.
- De band is falsifieerbaar, en dat is zijn belangrijkste eigenschap: één gepubliceerde kostenreeks van een robotplatform of modulaire fabriek over drie of meer verdubbelingen die buiten 4 tot 20% valt, en hij moet worden herzien. Ik zoek zulke reeksen actief; 3D-betonprintkosten per vierkante meter tegen cumulatief geprint volume is de eerste kandidaat.
- Als de adoptie stokt, is niet de leercurve maar de S-curve de bindende parameter, en verschuift het hele verhaal.
- Het volledige dossier, met ruim dertig gelabelde bronnen, staat in de lab-repo.